De feiten

Iedereen staat erop, maar weinigen weten waarop precies: de grond; of de aarde. Nederland telt drie basissoorten, maar die wel in honderd varianten.

Laagjes

De bovenste anderhalve meter van de grond noemen we ‘bodem’: dat deel van de grond waarop het weer, planten en ondergrondse dieren hun invloed uitoefenen. Hoe die bodem er precies gaat uitzien, hangt vooral af van het soort afzetting – veen, klei, zand – waarop die ontwikkeling plaatsvindt. De bodem wordt horizontaal ingedeeld in ‘ABC-horizonten’: de A-horizont (de bovenste laag) bestaat uit humus, dat zijn dode plantenresten. Stoffen die door de regen uit deze laag worden gespoeld, belanden in de B-horizont daaronder. De C-horizont is de originele laag van zand, veen of klei, waarop A en B zich ontwikkeld hebben. Helemaal bovenop komt ook nog een dunne O-horizont te liggen, van strooisel uit de omgeving, bijvoorbeeld bladeren en dennennaalden. Veen bestaat uit onverteerde plantenresten die in een zuurstofarme omgeving rondhangen. Zand bestaat uit kwarts en veldspaten. Het opvallend witte mineraal is kwarts. Veldspaat is de naam voor een groep van gesteentevormende mineralen, die naar schatting 60% van de aardkorst vormen. Klei is voornamelijk opgebouwd uit platte silicaten. Dat zijn fijne gesteentefragmenten en mineraaldeeltjes met een korrelgrootte kleiner dan 0,002 mm.

Nederlands landschap

Bodems hangen samen met het landschap, waarvan we er in Nederland zes onderscheiden: de vaagbodem (duin), podzol-(zand), löss-(heuvel), veen-, rivierklei- en zeekleibodem. Zandlandschap tref je in vrijwel heel Noord-Brabant, de Veluwe en de oostelijke delen van Drenthe, Overijssel en Gelderland. Oost-Groningen, Oost-Friesland en Noord- en Zuid-Holland bieden veel veenlandschap. Langs de grote rivieren tref je het rivierkleilandschap. Zeeland, de Flevopolders, Friesland, Groningen en het noorden van Noord-Holland tonen vooral een zeekleilandschap. Het duinlandschap strekt zich uit langs het grootste gedeelte van de kust en over de Waddeneilanden. Heel Zuid-Limburg is Löss.

Koester de worm

Regenwormen zijn de bodemverbeteraars bij uitstek. Hun gangen zorgen voor een gezond toe- en afvoer van zuurstof en regenwater. Ze bieden onderdak aan andere behulpzame organismen, terwijl de wormen zelf organisch materiaal omzetten. Hun uitwerpselen zorgen voor meer samenhang in de bodem. Een regenworm poept per jaar tussen de vier en acht kilo per vierkante meter en dit is zeer goede kunstmest. De regenwormen worden terzijde gestaan door schimmels, bacteriën, aaltjes en andere insecten, onder meer bij het verteren van organisch materiaal.

Arm en Rijk

De Nederlandse bodem is over het algemeen stikstofrijk, dankzij de mest uit de intensieve veehouderij. Op dergelijke rijke grond groeien graag gras, brandnetels en braamstruiken. Heide, orchideeën, koekoeksbloemen en bosanemonen groeien liever op de arme grond. Door kalk aan de grond toe te voegen, komen voedingsstoffen vrij, waardoor de planten goed groeien.

Dwars door de stad Den Haag ligt de scheiding zand- en veengrond. Op het noordwestelijk zand lieten de rijke mensen in de 19e eeuw hun huizen bouwen. De arme mensen, die bijna geen geld in hun buidel / portemonnee hadden, belandden op de veengrond.

M2

Reactie achterlaten