Meerdere keren per dag kijken we naar de klok of op ons horloge om te kijken hoe laat het is. Dit is de normaalste zaak van de wereld. De ontwikkelingen gaan allemaal erg snel in deze tijd, maar de klok is gebleven.

Geschiedenis van de klok

Vroeger werd de tijd gelezen aan de hand van de stand van de zon, maan en de sterren. Zo’n 4000 jaar voor Christus werden er al tijdmeldingen gedaan door gebruik te maken van een zogenaamde schaduwklok. Er werd dan een stok in de grond gezet en dan verplaatst natuurlijk langzaam de schaduw. Hiermee werd toen de tijd bepaald.

Veel later werd de zonnewijzer uitgevonden. Dit was rond 800 jaar voor Christus. Deze zonnewijzer werkt eigenlijk hetzelfde als een schaduwklok, alleen is deze wat nauwkeuriger.

De Grieken bedachten rond 300 jaar voor Christus een waterklok, omdat de zon nu éénmaal niet elke dag schijnt. Bij een waterklok druppelt er water van het ene reservoir in het andere. Een eenvoudige waterklok kun je het beste vergelijken met een zandloper. De snelheid waarmee water in een kommetje of reservoir druppelt bepaalt dan hoeveel tijd er is verstreken.

Ook werden er zo’n 1000 jaar geleden zogenaamde kaarsklok kaarsen gebruikt met daarop streepjes. Door het aantal strepen op de kaars kon men zien hoeveel uren er verstreken waren sinds het aansteken van de kaars.

De mechanische klok zoals we die nu kennen kwam pas veel later, namelijk in de 12e en 13e eeuw. De klok kwam in het begin alleen in kloosters te hangen omdat de monniken hechtten aan rust en regelmaat. En om op het goede tijdstip te kunnen bidden. Dit was een klok die enkel de uren aangaf. Het oudste uurwerk wat gevonden is stamt uit 1386 en staat in het kathedraal in Salisburry. In de 16e eeuw kwamen er klokken met een tweede wijzer op de markt, die dus de minuten aan kon geven. Deze klokken waren nog niet erg nauwkeurig en liepen soms wel uren of dagen achter. In 1656 vond Christiaan Huygens het slingeruurwerk uit en dit was de eerste echt nauwkeurige klok, tot op de minuut. Eerst hadden de slingeruurwerken gewichten die na een bepaalde tijd weer naar boven moesten worden getrokken. Latere slingeruurwerken hadden een gespannen veer die na verloop van tijd weer moest worden opgewonden. In 1841 vond de Schot Alexander Bain de elektrische klok uit. Tegenwoordig zijn klokken nog preciezer dankzij kwartskristal. De meeste klokken, tafelklokken en wandklokken hebben tegenwoordig kwartskristal. De meest nauwkeurige klok is echter de atoomklok, want deze is gebaseerd op de definitie van een seconde.

Reactie achterlaten