Op een weerstation thuis, kun je het weer nauwgezet in de gaten houden.

Een weerstation is een instrument die het weer kan meten. Zo’n weerstation wordt vaak handmatig, maar tegenwoordig ook wel automatisch uitgelezen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen weerstations waar alleen grondwaarnemingen worden verricht en weerstations waar ook de wind, luchtdruk, temperatuur en vochtigheid in de lucht worden gemeten.

Hoe hield men vroeger het weer in de gaten?

Als iemand iets wilde weten over het weer dan keek men naar buiten. Uit het gedrag van bijvoorbeeld de dieren kon men aflezen wat voor weer het zou worden.

Enkele weerspreuken waarbij gekeken is naar het gedrag van dieren:

  • Als in januari de muggen zwermen, moet je in maart de oren wermen
  • Zingt de leeuwerik hoog in de lucht, heerlijk weer voorspelt zijn vlucht
  • Een bijenzwerm in mei, goed teken voor de wei
  • Vliegen de zwaluwen laag, dan nadert een regenvlaag
  • Zingt de vink in de morgenstond, zo hij zeker regen verkondt
  • Als de muggen dansen gaan, is het met de regen zeker gedaan
  • Vliegt de zwaluw hoog, dan blijft het overwegend droog
  • Zijn er in december nog mollen, laat de winter met zich sollen

Vroeger keken de mensen ook naar de verjaardagen van heiligen. Een belangrijk moment in het jaar zijn de ‘ijsheiligen’. Deze dagen vallen dit jaar in de periode van 11 tot en met 14 mei. Ijsheiligen is één van de oudste en misschien wel het bekendste begrip uit de volksweerkunde. De ijsheiligen ontlenen hun benaming aan het gevaar van koud voorjaarsweer voor het gewas, dat in deze tijd in volle bloei staat. Een late vorstnacht kan heel veel schade aanrichten. Over het algemeen is het bekend dat je pas na ijsheiligen kan beginnen met het planten in de volle grond.

Leuke spreuk:

‘voor ijsheiligen de bloempotten buiten, veelal kun je er dan naar fluiten. Wacht af tot de heiligen zijn voorbij, de bloemen zijn u daarvoor blij’

Ook zijn er bepaalde dagen waarop we kunnen zien wat het weer zal brengen. De bekendste zijn de zogenoemde ‘hondsdagen’ in juli. Wanneer er op die dagen regen komt, kun je er wel van uitgaan dat het een koude en natte zomer zal worden. Wanneer het op die dagen droog en warm is, dan wordt het zeker een mooie, droge en warme zomer.

Verder keek men ook naar de bomen, struiken en planten. Wanneer de bomen en planten vroeg bloeien is dat meestal een aankondiging voor een mooie zomer. Bijvoorbeeld de kammille; dit kruid ruikt heerlijk en wanneer de mensen dit vroeger roken in mei, dan werd het vast en zeker een mooie zomer.

Weerhuisje

Evenals de koekoeksklok komt ook het weerhuisje uit Duitsland. Er is weinig bekend over de uitvinder van het weerhuisje, maar aangenomen wordt dat het in het duitse Schwarzwald tussen de 16e en 17e eeuw is uitgevonden. De vormgeving is vaak een nabootsing van de huizen die in het zwarte woud te vinden zijn. Met figuren zoals bijvoorbeeld dennebomen, dieren die daar voorkomen, paddestoel, drinkbak en houtstapels.

Een weerhuisje dient ervoor om de luchtvochtigheid te meten. Bij mooi weer, wanneer de lucht droog is komt de vrouw in traditionele kleding naar buiten. Wanneer de lucht vochtig wordt verschijnt de man. Dit kan betekenen dat er regen aan zit te komen. Dit kan doordat er in het weerhuisje een paardehaar of een stukje schapendarm zit. De schapendarm zit aan een vast punt in het dak van het weerhuisje gemonteerd. Hieraan zijn het vrouwtje en het mannetje opgehangen. Doordat de schapendarm reageert op de luchtvochtigheid, komen de figuurtjes in beweging. Bij hoge luchtvochtigheid zet het stukje schapendarm of paardehaar uit en bij lage luchtvochtigheid krimpt deze weer in. En zo draait het vrouwtje naar buiten bij mooi weer en het mannetje naar binnen.  In wezen wordt het plateautje waar de figuutjes op staan gedraaid. Dus bij hoge luchtvochtigheid zet het darmpje uit en ontspant zich, daardoor draait het mannetje naar buiten en het vrouwtje naar binnen.

M2

Reactie achterlaten